Persbericht van het College van Procureurs-generaal

Cannabis social clubs

De laatste tijd wordt er in de pers uitgebreid melding gemaakt van voorstellen, adviezen en opinies met betrekking tot de denkpiste om het bestaan van “Cannabis Social Clubs”, verenigingen die cannabisplanten voor hun leden kweken, toe te laten.

Het komt niet aan het Openbaar Ministerie toe om zich te mengen in een maatschappelijk debat dat kan leiden tot wetswijzigingen. Aangezien het College van Procureurs-generaal evenwel heeft vastgesteld dat onvolledige of foutieve informatie wordt verspreid, wenst het het volgende mee te delen.

Het bezit van cannabis voor persoonlijk gebruik door een meerderjarige, zonder verzwarende omstandigheden of verstoring van de openbare orde, is een overtreding strafbaar met een geldboete van 15 tot 25 euro (X 8). In het vervolgingsbeleid wordt aan deze inbreuk een lage prioriteitsgraad toegekend.

Het bezit van cannabis door een vereniging, nodig voor het gebruik van de leden van die vereniging, kent een totaal andere aanpak. 

Personen die het gebruik van cannabis voor anderen vergemakkelijken, ongeacht op welke manier zij dit doen én of dit gratis dan wel tegen betaling geschiedt, worden namelijk bestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar en een geldboete van 1000 tot 100 000 euro. Wanneer deze inbreuk bovendien wordt gepleegd in het kader van de activiteiten van een vereniging, is er sprake van een verzwarende omstandigheid en wordt de straf verhoogd naar opsluiting van 10 tot 15 jaar, naast de geldboete. Voor de leidende personen van een dergelijke vereniging wordt de straf verhoogd tot opsluiting van 15 tot 20 jaar, naast de geldboete .

Sommige commentatoren hebben totaal ten onrechte geopperd dat de beslissing om de oprichting of de werking van deze verenigingen al dan niet toe te laten, tot de bevoegdheden van het Openbaar Ministerie behoort. Er werd eveneens ten onrechte gesteld dat de werking van sommige van deze verenigingen in bepaalde arrondissementen wordt getolereerd. Het Openbaar Ministerie wenst er integendeel de aandacht op te vestigen dat er momenteel in verscheidene arrondissementen vervolgingen hangende zijn.

Overeenkomstig de grondwettelijke regels inzake de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan de bestraffing van bepaalde inbreuken geenszins worden verboden, zelfs niet door een beslissing van het College van Procureurs-generaal. A fortiori beschikt het Openbaar Ministerie niet over de bevoegdheid om wettelijk strafbare gedragingen toe te staan.

De bevoegdheid van het Openbaar Ministerie om te seponeren hangt samen met de specifieke omstandigheden van een zaak en niet met een keuze om de wet al dan niet toe te passen. Het tegenovergestelde dulden zou de rechtsstaat en de scheiding der machten ernstig in gevaar brengen en het Openbaar Ministerie de buitensporige bevoegdheid verlenen de toepassing van de door het parlement gestemde wetten of de besluiten van de uitvoerende macht te verhinderen. Het Openbaar Ministerie wenst dan ook te beklemtonen dat het niet tot zijn bevoegdheid behoort de maatschappelijke risico’s, waarvan de regulering evident een taak van de wetgevende macht is, op die manier te beheren.