Parket Antwerpen

Hoe de bestuurlijke en de gerechtelijke logica niet altijd gelijklopend zijn

Dit werd afgelopen week nog eens duidelijk in Mechelen (Technopolis) waar zestien meisjes van middelbare scholen uit Boom en Eersel (NL) werden lastig gevallen en bovenop hun kleren betast werden door vier jongens van dezelfde leeftijd uit het Mechelse en het Antwerpse. De vier jongens die ter plaatse door de politie konden worden aangetroffen mochten vanwege het parket terugkeren naar school om op een later moment verhoord te worden. Meteen reageerde de burgemeester van Mechelen dat hij bijzonder teleurgesteld was en dat er met het parket was afgesproken dat voor dergelijke zaken er steeds een arrestatie en een verhoor zou volgen.  Door voorvermelde beslissing te nemen, kwam volgens hem het parket zijn engagementen niet na.  Het parket kreeg niet de kans om zich te verdedigen en alzo was het kwaad weer geschied.

Deze uitlatingen van de burgemeester van Mechelen roepen veel vragen op en vereisen diepere duiding.

Vooreerst laat dit uitschijnen dat het openbaar ministerie en de burgemeester(s) het op een akkoordje kunnen gooien over wanneer er iemand kan gearresteerd en verhoord worden.  Dit is echter niet het geval.  Het komt aan de politie toe om strafbare feiten vast te stellen en hiervan proces-verbaal op te stellen en over te maken aan het openbaar ministerie.  Het openbaar ministerie beslist als enige, op basis van haar strafrechtelijk beleid, welk gevolg hieraan zal worden verleend (b.v. klasseren zonder gevolg, minnelijke schikking, gerechtelijk onderzoek,… of dagvaarding).  Bij ernstige feiten wordt het openbaar ministerie telefonisch door de politie in kennis gesteld van mogelijks strafbare feiten.  In dat geval beslist een magistraat van het openbaar ministerie of dringende maatregelen zich opdringen (b.v. arrestatie en/of voorleiding voor de jeugd- of onderzoeksrechter) en/of welke verdere opsporingshandelingen er nog moeten worden gesteld (b.v. verhoren, confrontaties, telefonie- en deskundigenonderzoek, enz.).

Dit strafrechtelijk beleid wordt op verschillende niveaus bepaald: op nationaal niveau (federaal), op arrondissementeel niveau (b.v. parket Antwerpen) en op het niveau van de zonale veiligheidsraden (b.v. Mechelen-Willebroek).  In het kader van zulks zonaal veiligheidsoverleg met Mechelen-Willebroek heeft het parket van Antwerpen zich geëngageerd om wat betreft seksueel geweld steeds een gepast gevolg te verlenen aan bewezen feiten in hoofde van een gekende dader, en zulke feiten alleszins niet te seponeren omwille van opportuniteitsredenen (b.v. gering nadeel, weinig maatschappelijke weerslag, enz.).

Een gepast gevolg betekent daarom nog niet dat er in dergelijke gevallen in alle omstandigheden sowieso tot een arrestatie en onmiddellijk verhoor zal overgegaan worden.  Zulke afspraken kunnen als dusdanig immers niet op voorhand gemaakt worden aangezien het aan een magistraat van het openbaar ministerie geval per geval toekomt om te oordelen over zulke beslissing die de grondrechten van iedere burger aanbelangen.  Het is daarbij wel van belang dat die magistraat goed en volledig door de politie wordt geïnformeerd.  Soms is zulke informatie op het tijdstip van contactname nog niet voorhanden en zal er eerst verder onderzoek moeten plaatsvinden teneinde na te gaan wie precies voor welke feiten t.a.v. welk slachtoffer strafrechtelijk verantwoordelijk is.  De magistraat kan er dan voor opteren om een verdachte te laten beschikken en hem of haar pas later, na verder onderzoek, en op grond van meer concrete elementen en onderzoeksresultaten te verhoren, al dan niet gepaard gaand met een vrijheidsberoving op dat ogenblik.  T.a.v. minderjarige verdachten ligt deze oefening nog moeilijker aangezien het jeugdbeschermingsrecht eerder gefocust is op mogelijke problemen in de persoonlijkheid van de minderjarige en in zijn leefomgeving dan op de ernst van de feiten die hij gepleegd heeft.  Verder onderzoek hieromtrent is dan sowieso noodzakelijk.  Dit was ook zo in bovenvermeld geval.  Een eventuele voorleiding voor een jeugdrechter heeft immers ook geen zin wanneer nog niet geweten is welke minderjarige precies welke feiten gepleegd heeft t.a.v. welk slachtoffer.

Vaak heeft de media in haar berichtgeving slechts aandacht voor deze eerste fase en is ze niet meer geïnteresseerd in het verder onderzoek, in de resultaten ervan en in de verdere gevolgverlening die het openbaar ministerie eraan verleend omdat dit inmiddels ‘oud nieuws’ geworden is.  Niet zelden geeft dit, weliswaar volstrekt ten onrechte, bij de publieke opinie de indruk dat de verdachten (daders) van strafbare feiten vrijuit gaan.

Het komt echter een bestuurlijke overheid niet toe om over de gerechtelijke aspecten (zoals een arrestatie en een verhoor) te communiceren.  Dit komt uitsluitend aan de gerechtelijke overheden toe (b.v. de perswoordvoerder van de procureur des Konings).  Door dit toch te doen gaat hij zijn bevoegdheden te buiten, stelt hij zich in de plaats van de gerechtelijke overheden en loopt hij het risico het gerechtelijk onderzoek (b.v. onderzoeksstrategie) te schaden.  Wat een burgemeester daarentegen wel kan doen is communiceren over de bestuurlijke aspecten die de feiten tot gevolg hebben gehad (b.v. maatschappelijke beroering).  Eenzijdig publiekelijk verklaren dat met het parket afgesproken was dat voor dergelijke zaken er steeds een arrestatie en een verhoor zou volgen doet niet alleen de waarheid geweld aan maar creëert daarenboven naar de publieke opinie irreële  verwachtingen.

 

Pagina's