KortOM: Het cijfer: Wet informaticacriminaliteit

Nieuws

De wet van 28 november 2000 over informaticacriminaliteit introduceerde onder meer de belangrijkste informaticamisdrijven in het Belgisch recht, zoals hacking, informaticafraude, valsheid in informatica en informaticasabotage, en vormde bovendien de basis voor de eerste procedurevoorschriften voor zoekingen in computers.

De veertien artikelen van deze wet voegen nieuwe bepalingen in het Strafwetboek en het Wetboek van Strafvordering in.

"Deze wet is innovatief en aanpasbaar in de tijd, en dat is haar grote kracht", vat Baptiste Flumian, eerste substituut-procureur des Konings van Brussel en referentiemagistraat cybercriminaliteit, samen. “De strafbare feiten en bijhorende definities in de wet zijn zo goed omschreven dat ze vandaag nog steeds gehanteerd worden en dat het nieuw Strafwetboek ze woordelijk overneemt.”

Een voorbeeld hiervan is phishing, een verschijnsel dat vele vormen aanneemt, en waarbij fraudeurs op verschillende manieren, bijvoorbeeld via e-mails, oproepen, sms'en, valse websites en nepadvertenties op sociale netwerken de gegevens van slachtoffers proberen te bemachtigen. Aanvankelijk zorgde dit fenomeen nauwelijks voor problemen omdat het viel onder het misdrijf ‘informaticafraude’, een concept dat oorspronkelijk was bedacht voor specifieke gevallen, maar uiteindelijk flexibel genoeg bleek om ook andere verschijnselen te omvatten, zoals gegevensdiefstal, digipassfraude... en dus ook phishing.

Vanwaar die aanpasbaarheid? De wet kwam tot stand ten tijde van de uitwerking van het Verdrag van Boedapest (van de Raad van Europa), dat erop gericht was om een internationaal samenwerkingskader te creëren en dus algemeen aanvaarde begrippen en tenlasteleggingen vast te leggen die tegelijkertijd flexibel zijn. België heeft zich bij het uitwerken van zijn eigen wetgeving laten inspireren door de voorbereidende werkzaamheden voor het Verdrag om een maximale overeenstemming te garanderen.

Ook al gaat het om een kwaliteitsvol instrument, de gebruikers moeten er natuurlijk ook mee overweg kunnen. "We hebben magistraten nodig met een basiskennis in cybercriminaliteit op alle gebieden", benadrukt Baptiste Flumian. “Zo heeft het Openbaar Ministerie onder meer een expertisenetwerk ‘Cybercrime’ opgezet en worden er elk jaar in samenwerking met het IGO (Instituut voor Gerechtelijke Opleiding) opleidingen gegeven. Er is dus al één en ander beschikbaar, maar we kunnen en moeten op termijn duidelijk nog meer doen.”

Nieuws

Ander Nieuws