We bevinden ons in de tuin, in de schaduw van de seringen vlak bij bessenstruiken, samen met Milou, de schattige Pinscher, naast een vijver met rondzwemmende eenden, vissen, kikkers en salamanders, die op hete zomerdagen erg in trek is als zwembad, waar we Régine Coulon ontmoeten. De hyperactieve hoofdsecretaris van het arbeidsauditoraat Waals-Brabant houdt van water, maar is geen fan van lange, rustige rivieren. Met enkele vragen blikken we terug op een carrière die doorspekt is met motivatie en enkele toevalligheden.
De functie van hoofdsecretaris is niet de meeste gekende binnen het Openbaar Ministerie. Hoe zou je ze omschrijven?
Kort samengevat beheert de hoofdsecretaris het administratief personeel van een parket of een arbeidsauditoraat. Hij neemt strategische en operationele beslissingen, zetelt in het directiecomité, past het beheersplan van de korpschef toe, bereidt het werkingsverslag voor, enz.
De korpschef – of arbeidsauditeur – is een centrale, uiterst belangrijke figuur.
Korpschefs stellen een actieplan op. Vervolgens is het aan de hoofdsecretaris om de verdere details ervan uit te werken en in de praktijk om te zetten. Voor mij gaan deze twee functies hand in hand. De korpschef staat aan het hoofd van het rechtscollege en de hoofdsecretaris beslist over de taakverdeling en de organisatie ervan binnen het auditoraat.
Hoe ben je hoofdsecretaris geworden?
Oh, dat is een lang verhaal! (lacht). Na mijn middelbare studies twijfelde ik of ik rechten zou studeren aan de universiteit dan wel een opleiding tot leerkracht zou volgen aan de hogeschool. Heel uiteenlopende opties, ik weet het, maar ik heb altijd een liefde gekoesterd voor de Franse taal. Rechten betekende voor mij kunnen pleiten, die mooie betogen die ik hoorde, kunnen opvoeren. Via het onderwijs zou ik dan weer Frans of andere Germaanse talen kunnen onderwijzen. Maar tegelijkertijd wilden mijn ouders absoluut dat ik naar een katholieke school ging. Dat was voor mij uit den boze: ik had al mijn hele schoolcarrière, van de kleuterschool tot het middelbaar, in het katholieke netwerk bij de zusters doorlopen en ik had er genoeg van. Uiteindelijk ontmoette ik mijn huidige echtgenoot en besloot om te gaan werken.
En toen begon je bij Justitie?
Ja, heel toevallig. Er was een plaats vrij bij de rechtbank van koophandel (vandaag de ondernemingsrechtbank). Ik slaagde voor de examens en ben er gestart als bediende. Ik heb er mijn kennis van de Nederlandse taal verder verdiept door in die taal te werken. Van daaruit heb ik mijn carrière voortgezet als administratief medewerker bij de Gerechtelijke Politie in Brussel. Heel boeiend werk. Ik was graag inspecteur geworden, maar dat was nogal moeilijk te combineren met een gezinsleven.
En dus ben je teruggekeerd naar Justitie?
Ik heb toen terzelfdertijd gedurende anderhalf jaar deelgenomen aan de examens voor niveau B bij Justitie. We moesten daarvoor een halve meter aan cursusmateriaal rechten instuderen. Ik slaagde voor die testen. Van het ene kwam het andere, en na de examens ben ik in 1991 op het parket van Nijvel beland en nadien in 1996 secretaris geworden bij het auditoraat, waar ik dan, als ik me goed herinner, in 1999 benoemd werd tot hoofdsecretaris. En hier ben ik nog steeds.
Ben je nog veranderd van functie en van woonplaats?
Ik ben geboren en getogen in Namen. Na mijn huwelijk ben ik verhuisd naar Sint-Lambrechts-Woluwe, want ik werkte voor de Gerechtelijke Politie en mijn man werkte ook in Brussel. Omdat mijn zoon zware gezondheidsproblemen had, raadden artsen ons aan om te verhuizen naar het platteland, waar er gezondere lucht en meer ruimte is. We hebben ons toen gevestigd in Sart-Dames-Avelines (Villers-la-Ville). Zodra ik werd overgeplaatst naar het parket van Waals-Brabant zijn we naar Nijvel getrokken om uiteindelijk hier te belanden, in Meux in de provincie Namen. Een levendige gemeente, niet al te ver van onze vrienden en familie.
Een leefomgeving die niet onbelangrijk is om te kunnen ontspannen.
Ik vind het heel moeilijk om mijn werk los te laten. Ik tracht nochtans tijdens de weekends pauzes in te lassen en wat in de tuin te werken, of probeer dat toch, want ik heb geen groene vingers. Het is hier zo vreedzaam, met het zwembad, de vijver en alle dieren die hier leven of passeren (vissen, nogal luid kwakende kikkers, een koppel eenden, enz.). Ik houd ook van lezen en schilderen. Als ik veel stress heb, neem ik mijn penselen en acrylverf, en probeer ik me te focussen op iets anders dan het werk. Maar me volledig deconnecteren kan ik echt niet goed. Mijn ‘Justitie-knop’ staat altijd aan, tot groot ongenoegen van mijn naasten.
‘Justitie-knop’? Wat bedoel je daarmee?
Ik kijk bijvoorbeeld graag naar stellingen. Wanneer ik er een zie, moet ik even stoppen en kijken of ze conform zijn, of er zich voor de arbeiders geen gevaarlijke situatie voordoet. Nog een anekdote: op een kerstmarkt waar oesters en witte wijn geserveerd werden, ben ik een ober gevolgd om te kijken waar die schelpdieren vandaan kwamen, omdat ik niet meteen een koelkast in de buurt zag. Beroepsmisvorming (lacht). Het zou voor mij onmogelijk zijn om mijn job enkel tijdens de werkuren uit te oefenen. Ik moet ook ‘s avonds en tijdens het weekend kunnen werken.
Verwacht je evenveel van het personeel van het auditoraat als van jezelf?
Neen. Ik respecteer het recht op deconnectie, op een privéleven, en zal nooit iemand storen na de werkuren. Het is belangrijk om een evenwicht te bewaren. Wat mij betreft, heb ik echter nood aan deze werktijd. Ik werk graag en word gek van verveling. Aangezien ik altijd mijn grenzen wil verleggen en geen fan ben van lange rustige rivieren, is verveling mijn grootste vijand. Als ik niets om handen heb, word ik hoorndol. Maar als ik dan de uitdrukking op het gezicht van mijn man zie, weet ik dat het tijd is om te stoppen. Dan sluit ik mijn laptop en denk ik niet meer aan werken. Ik maak er ook een erezaak van mijn computer niet mee te nemen wanneer we in de zomer op vakantie gaan. Zelfs al staat het justitiepaleis in brand, ik log niet in. Ik moet mijn hoofd kunnen leegmaken, ook al betekent dat een enorme stapel e-mails bij mijn terugkeer uit vakantie.
Wat motiveert je zo sterk bij Justitie?
Hoewel het pleiten de basis vormde van mijn motivatie, ben ik gepassioneerd door de materie, en dan vooral het strafrecht. Hoewel het niet elke dag even gemakkelijk is (wegens het tekort aan gerechtelijk personeel), is het een fascinerende wereld. Dat zeg ik ook telkens aan de nieuwe leden van de Rechterlijke Orde tijdens de opleidingen die ik geef: jullie stappen een boeiende wereld binnen, met interessante materies en magistraten die hun werk graag doen.
Je zei ‘opleidingen’. Nog een andere verantwoordelijkheid?
Weer eens toeval! Toen ik destijds een gecertificeerde ‘train the trainer’-opleiding volgde aan het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid en er nadien voor slaagde, heb ik er zelf enkele jaren les gegeven. Nadien vroeg het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (IGO) me of ik wilde meewerken aan de basisopleidingen, wat ik aanvaardde. Met de tijd kwamen daar nog andere opleidingen bij.
Zoals?
Ik geef de basisopleiding in sociaal strafrecht (voor de nieuwe griffiers en secretarissen) en de opleiding over het Openbaar Ministerie, waarbij ik gedurende vijf dagen dieper inga op de rol van het Openbaar Ministerie. Het IGO heeft me carte blanche gegeven. Ik ben opleidingsverantwoordelijke en geef sommige modules. We behandelen de politieparketten, crossborder, enz. en geven dus een volledig overzicht.
Vanwaar jouw motivatie om deze bijkomende verantwoordelijkheden op te nemen?
Het luik ‘onderwijs’ moet er gewoon in zitten, dat sprak me vroeger ook al aan. Ik haal er veel plezier uit de materie te kunnen toelichten. Telkens pas ik mijn syllabus aan. Mijn lessen volgen elkaar op, maar zijn niet dezelfde. Ik zou er geen plezier uit halen, mocht ik elke keer dezelfde cursus moeten geven. Verder haal ik er ook voldoening uit de instelling bekendheid te geven, feedback te krijgen en daar gebruik van te maken, te zien dat het publiek begrijpt en zich realiseert wat we in bepaalde rechtscolleges allemaal doen.
Zoals het arbeidsauditoraat?
Ja. Want de arbeidsauditoraten - we moeten ons geen illusies maken - zijn zowat de kleine broertjes naast de parketten. Bij de arbeidsauditoraten behandelen we superinteressante materies en doen van alles waar het grote publiek, of zelfs de mensen bij Justitie, niet noodzakelijk weet van heeft. Ik heb me altijd sterk ingezet om het bestaan van het auditoraat in herinnering te brengen. Daardoor kennen ze ons iets beter, ziet men ons in de media, en dat stelt me tevreden.
Je hebt er nog een recentere functie bij, die van voorzitter van de Raad van hoofdsecretarissen.
Opnieuw toeval. Oorspronkelijk had Ann Braeckevelt, destijds voorzitter, me gevraagd of ik lid wilde blijven van het Bureau van de Raad. Ik zei natuurlijk ‘ja’, want het is een interessante functie, maar kon me niet voorstellen dat ze me vervolgens het voorzitterschap zou aanbieden.
Geen spijt?
Helemaal niet! Het is soms een beetje stresserend vanwege het Nederlands, want ik maak er een punt van de vergaderingen in beide talen te houden. Ik maak soms fouten, maar als voorzitter moet ik me in het Nederlands kunnen uitdrukken. Het is normaal dat ik als vertegenwoordiger van alle hoofdsecretarissen van het land mijn vergaderingen dus extra zorgvuldig voorbereid. Soms denk ik ‘zolang ze me maar geen vragen stellen waarop ik het antwoord niet weet’, maar gelukkig is er Anouk Schoeters als vicevoorzitter. Zij staat aan mijn zijde, steunt me en helpt me wanneer de taal tekortschiet. We zijn een goed team.
Je bent gehecht aan jouw functie. Ben je dat ook aan het Openbaar Ministerie?
Absoluut! Het Openbaar Ministerie is, voor mij althans, ontzettend dynamisch. Zonder het Openbaar Ministerie zou er op strafrechtelijk niveau niet veel gebeuren. Er beweegt van alles. En dat is op het auditoraat onder meer zichtbaar in de vergaderingen van de arrondissementscellen met alle sociaal inspecteurs, de uitwisselingen over uitgevoerde controles, enz. De politie is aanwezig, waardoor we ook zien hoe het er ter plaatse aan toe is gegaan, of er problemen waren, of de arbeiders door de ramen zijn weggevlucht...
Je hoeft dus geen jurist te zijn om Justitie te verdedigen...
Sommige hoofdsecretarissen zijn juristen, maar dat is niet altijd het geval. Ook al worden we ergens wel een beetje jurist doordat we vaak in die teksten werken, toch hebben we over het algemeen een andere kijk op de zaken, waardoor een andere interpretatie mogelijk blijft. Dat leidt soms tot interessante discussies met de magistraten.
Heb je nooit van werkterrein willen veranderen?
Neen. Vooral omdat ik de kans heb gehad om door te groeien. Als ik bediende was gebleven, was ik ongelukkig geweest, denk ik. Ik heb tijdens mijn hele loopbaan kansen gekregen. Maar natuurlijk moest ik telkens slagen voor de examens. Om hoofdsecretaris te worden in niveau A heb ik anderhalf jaar lang overdag gewerkt en ben ik ‘s avonds, ’s nachts en in de weekends mijn cursussen in gedoken. Mijn man heeft me daarbij enorm gesteund door zijn carrière on hold te zetten en alles in huis over te nemen (koken, schoonmaken, de zorg voor de kinderen). Ook magistraten hebben me daarbij geholpen door mijn vragen te beantwoorden. Kortom, ik heb absoluut geen spijt van deze carrièreloop. Eerlijk gezegd heb ik me altijd goed gevoeld bij Justitie. •
Artikel uit KortOM, het digitale magazine van het Openbaar Ministerie